Afdrukken
PDF

Immuunsysteem

Het immuunsysteem is het lichaamseigen verdedigingssysteem tegen indringers van buitenaf en tegen lichaamseigen veranderde cellen.

In het Latijn betekent ‘immunis’: vrijgesteld, verwijzend naar de bescherming tegen indringers van buiten.

Bij zoogdieren beschermt het immuunsysteem tegen bacteriën, parasieten en virussen. Maar het ruimt ook eigen afvalstoffen op evenals zieke lichaamscellen zoals kanker.

We hebben een aspecifiek deel in ons immuunsysteem, dat aangeboren is en een adaptief deel dat we in de loop van ons leven verwerven.

Het aspecifieke deel is snel werkzaam, maar minder specifiek voor de ziekteverwekker (pathogeen). Dat in tegenstelling tot het adaptieve dat zich aanpast aan de pathogeen, hetgeen weliswaar tijd vergt, maar uiteindelijk een sterke afweer wordt.

Meestal is het lichaam nadien vaak langdurig beschermd tegen dit pathogeen.

Beide vormen bevatten zowel humorale als cellulaire componenten. Humorale componenten zijn enzymen die zich in vloeistoffen van het lichaam bevinden (bvb bloed en speeksel). Zij remmen zelf de pathogeen af of activeren andere enzymen of cellen die de pathogeen opruimen.

Cellulaire componenten zijn cellen die werken voor het immuunsysteem zoals de witte bloedcellen.

De witte bloedcellen zijn cellen van het immuunsysteem die zich in het bloed of in de lymfevloeistof bevinden en omvat cellen uit zowel het adaptieve als het aspecifieke immuunsysteem.

Fagocyten en lymfocyten zijn bekende witte bloedcellen. Fagocyten fagocyteren de pathogenen en breken ze af in Lysosomen. (fagocyteren = opnemen van de pathogeen in de cel door blaasjes te maken in het celmembraan en zo de pathogeen te omgeven). Fagocyt komt van het Grieks phagein = eten en kutos = cel. Fagocytose = op eten.

Elke cel of molecuul heeft specifieke structuren op het oppervlak (epitopen). Lymfocyten ontwikkelen antistoffen specifiek voor epitopen op het vreemde materiaal. Elke antistof is specifiek voor een antigen (zo’n vreemde structuur). Wanneer een antigen gebonden is aan zijn antigen, wordt het vreemde materiaal nog gemakkelijker als vreemd beschouwd en opgeruimd door de fagocyten. De bindingen van antilichamen hinderen bovendien de werking van het pathogeen.

Hoe is het immuunsysteem opgebouwd?

Eerst en vooral hebben we een aangeboren immuniteit die bestaat uit een reeks vooraf geprogrammeerde reacties op ziekteverwekkers die niet verandert tijdens de levensloop van het organisme.

Dit aspecifieke of aangeboren immuunsysteem bestaat uit de eerste- en tweedelijnsafweer van het lichaam.

De eerstelijnsafweer bevat barrières tegen besmetting zoals de huid en de slijmlaag van de darmen, luchtwegen en genitaliën. Zij verhinderen fysiek de interactie tussen het organisme en de ziekteverwekker. Ziekteverwekkers die toch door die barrière breken ontmoeten anti-microbiële moleculen die de infectie proberen te beperken.

In speeksel, traanvocht en de slijmlagen zitten beschermende eiwitten zoals het enzym lysozyme, die de celwanden van de bacteriën afbreken.

Mocht een ziekteverwekker de eerstelijnsafweer passeren, dan wacht hem de tweedelijnsafweer die uit verschillende types witte bloedcellen bestaat die bijna allemaal fagocyten zijn.

Zij komen voor in slijmvliezen en weefsels en fagocyteren daar lichaamsvreemde objecten zoals bacteriën.

Daarnaast hebben we ook nog het adaptieve immuunsysteem.

Dat heeft bij de mens bij een infectie 7 tot 10 dagen nodig om zich te ontwikkelen. Dit afweersysteem heeft ook een geheugen voor doorgemaakte infecties zodat het sneller kan optreden wanneer diezelfde pathogeen zich opnieuw aandient.

De cellulaire afweer richt zich tegen intracellulaire micro-organismen zoals virussen en bacteriën en daarvoor zijn de T-cellen verantwoordelijk. T komt van Thymus of zwezerik en is een orgaan dat zich net boven het hart bevindt en bij kinderen sterk ontwikkeld is maar bij ouder worden verschrompeld.

Het is een van de belangrijkste organen in ons afweersysteem omdat een belangrijk deel van de lymfocyten, de T-lymfocyten er ‘rijpen’ of geprogrammeerd worden.

We onderscheiden 2 typen T-lymfocyten:

- de T helpercellen, een vorm van witte bloedcellen, die verschillende soorten van cytokinen afgeven die verschillende processen reguleren zoals het stimuleren van de werking van cytotoxische T-cellen. Onder invloed van cytokinen ontwikkelen zich specifieke B-lymfocyten (B van beenmerg) zich tot antilichaamproducerende plasmacellen.

- de cytotoxische T-cellen of T-killercellen. Zij doden de geïnfecteerde somatische cellen of tumorcellen en zorgen ervoor dat pathogenen gedood worden of op zijn minst onschadelijk gemaakt worden.

Verder hebben we ook nog de T-memorie cellen. Zij onthouden welke pathogenen we reeds eerden meegemaakt hebben en zetten bij een nieuwe aanval daarvan de B-lymfocyten aan om onmiddellijk anti lichamen aan te maken om de aanvaller te neutraliseren.

Bij vaccinatie brengt men gedode of verzwakte pathogenen in het lichaam om zo het afweersysteem in werking te zetten. Op die manier leert het lichaam die pathogeen kennen en zal het daarvoor specifieke T-memorie cellen ontwikkelen.

Het adaptieve afweersysteem moet zich van in onze jeugd ontwikkelen en daarvoor moeten we infecties doormaken.

Disclaimer

Deze informatie is in geen geval bedoeld als behandeling, diagnose of genezing van lichamelijke of geestelijke afwijkingen. Raadpleeg altijd uw arts wanneer u met gezondheidsproblemen kampt, van welke aard ook.